Junushoff bleef dé zaal – 1925 – 2005

Deel 3 1925 – 2005

t-3

Junushoff bleef dé zaal
Natuurlijk ontstonden in het groeiende Wageningen ook alternatieve uitgaansmogelijkheden. In 1925 had het Oranje-hotel aan de Hoogstraat een bioscoopzaal ingericht, Luxor, ‘met uitstekende akoestiek’ en bovendien haar tuinzaal – de roemruchte zaal Negro – geschikt gemaakt voor concerten en schouwburgvoorstellingen. En de Roomskatholieke Werkliedenvereniging St. Jozef had al veel eerder aan de Gerdesstraat een verenigingsgebouw gesticht met een aardige zaal, die bekend stond als De Suikerpot.
Maar Junushoff was dé zaal. De zaal van cultuur, van belangrijke gebeurtenissen, kortom de zaal met status. De deftigheid en de cultuur van de sociëteit werd als het ware overgedragen op bredere lagen van de bevolking. Men deed daar ook z’n best voor. Zo worden de uitvoeringen van de koren en orkesten van Van Uven – zeg maar de WSKOV – altijd minstens twee keer gegeven – in het jargon van toen: een gala-avond voor genodigden én een volksconcert. Er was een ‘Vereeniging voor Volksconcerten’.
Maar andersom was het óók zo dat er bij een optreden van het Wagenings Dilettanten Toneel ook een belangrijk deel van het publiek in gala verscheen. Het was per slot van rekening De Junushoff en geen danszaal. Het aardige is alleen dat het niet bij dit soort uiterlijkheden bleef. Er werd namelijk – óók door het verenigingsleven – eersteklas kwaliteit geleverd. De voorstellingen genoten landelijke belangstelling. Kranten als NRC en Trouw stuurden recensenten, er werden nationale prijzen gewonnen en er waren regelmatig uitnodigingen voor radio-optredens. Toen zo ongeveer het hoogst bereikbare. Een wisselwerking dus tussen de theatrale prestaties en het theatrale dat van het theater zelf uitgaat. Een sfeer van: het is Belangrijk met een grote B.

Gemeente koopt gebouw voor 3900 gulden
In 1929 loopt het erfpacht-contract van Sociëteit De Harmonie met de gemeente af. De crisisjaren dienden zich aan, het gebouw was versleten, en misschien ook wel belangrijk dat door de komst van de radio mensen voor met name muziek minder aangewezen waren op het theater. Met name konden de kleine zalen en de horeca permanent en kosteloos elektrische muziek laten horen. En het meest bedreigende was misschien wel het feit dat aan de Landbouwhogeschool een fonds was opgericht dat in 1927 al naast hotel De Wereld grond had gekocht om een grote eigen Aula neer te zetten. De crisisjaren lijken überhaupt een verwijdering gegeven te hebben tussen hogeschool en bevolking. Studenten worden élitair gevonden en culturele activiteiten en de Veluwepost klaagt dat ‘de bevolking zich wel erg gereserveerd lijkt op te treden tegenover alles wat vanuit de kring der Hogeschool uitgaat’.

Hoe het ook zij, de sociëteit besluit door te gaan als exploitant, maar de gemeente wordt eigenaar van het gebouw. Overigens tegen afbraakwaarde: 3900 gulden. De toenmalige ‘renovatie’ bleef beperkt tot het opnieuw betimmeren van de zaalwand. Mogelijk vanuit de gedachte dat dat hielp om de muren overeind te houden.

Oorlogsjaren
Vanaf 1941 gaat er een nieuwe wind waaien. Er komt een particuliere pachter. En bij hem staat niet de cultuur centraal maar de zorg dat de zaal vol zit en er geconsumeerd wordt. De oorlogs- en ook de wederopbouwjaren waren ook een goede voedingsbodem voor zo’n entertainment-aanpak. Het verenigingsleven bloeide op omdat mensen meer op elkaar waren aangewezen, er was weinig vermaak, en om politieke redenen moest dat vermaak ook nog eens neutraal zijn. Volop behoefte dus aan luchtigheid met bal na. Het werd de tijd van dansorkesten, revue-gezelschappen, goochelaars, humoristen en conferenciers Eerst Wim Ibo, Willi Alfredo en Pere Boon, en later zouden Snip en Snap, Jan Blazer en André van Duin die lijn doortrekken.

In de oorlog kreeg het gebouw – en dat was uitzonderlijk voor Wageningen – weinig schade. De gemeente kon opnieuw volstaan met een lichte restauratie en nieuwe meubeltjes in de grote zaal en de koffiekamer. En dan in 1948 – er is net een nieuwe pachter – brandt de tent af.

Eerste naoorlogse schouwburg

Opmerkelijk is dat de schouwburg toen binnen anderhalf jaar weer herbouwd is. Het was nota bene de eerste naoorlogse schouwburg van Nederland. Opmerkelijk omdat in die jaren – zeker ook in het zwaar gehavende Wageningen – een geweldige druk stond op de gemeentelijke financiën, op de plaatselijke bouwsector en zelfs op de beschikbaarheid van bouwmateriaal. Daarom duurde het bijvoorbeeld jaren voor de kerktoren op de markt weer herbouwd was. Blijkbaar werd de Junushoff dus zeer belangrijk gevonden. Het werd nog altijd de enige mogelijkheid in Wageningen gevonden voor grootschalige evenementen op niveau.
Niettemin moest er wel zuinig gedaan worden. Zo kreeg de Wageningse architect Wiedijk de opdracht om gebruik te maken van de oude fundamenten van 1880, hetgeen hij ook gedaan heeft, en kregen we een ook voor díe tijd al beperkte toneelopening omdat er toevallig een tweedehands brandscherm van tien bij zeven meter beschikbaar was.

Aan de andere kant was de uitwerking niet knieperig. Want Wiedijk heeft nogal wat overhoop gehaald. Op de eerste plaats verplaatste hij de ingang naar opzij. Niet alleen omdat dat logischer was, maar ook om de zaal langer te kunnen maken: hij kon het halletje achter de zaal erbij trekken. Ook de sociëteitszaal – aan die kant – heeft hij bij de grote zaal getrokken. Die werd dus breder en langer. Bovendien kwam er een heuse toneel toren en een installatie om films te kunnen vertonen. Jammer genoeg geen geld voor een balkon, maar bijzonder was weer wel de eivorm van plafond en wanden van de grote zaal. Die zijn eerst zorgvuldig opgespannen uit steengaas en moesten vervolgens binnen een tijdsbestek van 24 uur worden gestuukt Met grote lampen in het midden van de zaal zijn toen veertig stukadoors tegelijk aan het werk geweest. Dat moet een performance geweest zijn van theatrale allure.

De ingang van het nieuwe Junushoff dus aan de westkant waar hij nu nog ligt. Aan die kant kwamen twee foyers boven elkaar met een trap die naar de ingang van de inmiddels hellende zaal leidde.
Veel mensen vragen zich af waarom de ingang van de Junushoff niet gastvrij in de richting van de stad is gebouwd. Het antwoord luidt dat daar in Wiedijks tijd nauwelijks aanleiding toe was. De huidige Plantsoenstraat – om het zo maar even te noemen – is pas rond 1970 doorgetrokken en werd bovendien vooral omzoomd door rommelige achterkanten van Hoogstraatpanden. Een ingangspartij richting de vijver met Wilhelminafontein was in 1951 dus logischer.

Volle zalen met bal na
Het Junushoff van na de oorlog kwam onder leiding te staan van particuliere pachters als Klein, Nekkers, vader en zoon Duiveman en Duym. Ik beschreef het al als een tijd van bal na. Er was sprake van een voorkeursbehandeling voor verenigingen die ‘m graag raken en voor artiesten die garant staan voor een volle zaal. Het cultureel programma met de grote C had volgens waarnemers van de weeromstuit iets conservatiefs. Voor de vereniging ‘Toneelkunst voor Allen’ moest het op z’n minst Shakespeare of Molière zijn en zeker zo belangrijk was dat er avondkledij gedragen werd en iedereen je zag. Ik kan niet goed beoordelen of dit een vorm van plaatselijk snobisme was of gewoon een symptoom van de tijd.

Zeker is dat de Junushoff gebruikt werd.
Of het nu WDT was of de Wieledansers.
Dansschool Arnzt of de Gymnastiekvereniging.
De Handelsdagschool of het KSV-toneel van de Zingende tractor.
Het Ceres-bal of het kampioensfeest van FC Wageningen.
De personeelsvereniging van het Instituut voor Bewaring van Landbouwgewassen of Sempre Sereno.
Carnavalsvereniging De Vadaenotten of de balletschool van The Brantz.
De Harmonie of de jaarafsluiting van de Montessorischool.
Allemaal huurden ze eens of vaak meerdere keren per jaar de Junushoff af.

En bij het bal na waren daar de Vada Rythm Jiggers met Mart Möller, de Nightbraekers, de Sharks en de Country Cats om nog maar te zwijgen over de mandoline-orkesten Sonora en Splendora die elkaar afwisselden als nationaal kampioenen. Weer op een andere manier die duidelijke wisselwerking tussen het plaatselijke culturele leven én de mogelijkheden die Junushoff biedt als grote zaal – en wel degelijk nog altijd met de status van een beetje deftiger dan gewoon.

Films, schietbaan, songfestival en Stutofes
Tussendoor begonnen studenten – onder andere Gerben Kuipers – met hun Filmliga films te vertonen in de grote zaal. Gebruikten de politie en een plaatselijke vereniging de ruimte ónder die grote zaal als schietbaan (waarbij de directeur zijn auto voor de zekerheid even elders parkeerde), werd de oude kegelbaan omgevormd tot beatkelder, later tot vestzaktheater voor en door cabaret Stepinstepuit en tenslotte tot bioscoopzaaltje De Kijkdoos, was de Junushoff tussen alle geweld door het thuishonk van de schaakvereniging, opereerde de Nederlandse jury bij het Eurovisie Songfestival vanuit de Junushoff en was er de jaarlijkse wedstrijd voor bakkers en de lustrumfeesten van de Koepel van Nederlandse Oranjeverenigingen.
Verder was de Junushoff een decennium lang het toneel voor Stutofes, het Studenten Toneel Festival dat tenslotte door de gemeente Rotterdam letterlijk werd weggekocht. En vanaf 1984 voor het Rhine Town Jazz Festival georganiseerd door de gelijknamige club die vanaf 1978 in de Harlekijn maandelijkse concerten ging organiseren. Qua idee nagevolgd door het onvolprezen Cultureel Café.

125 jaar Junushoff
125 jaar geschiedenis wijzen uit dat die aanwezigheid van een grote zaal – een zaal met sfeer en status – een autonome uitstraling heeft op het culturele leven. Het is een stimulerend symbool van plaatselijk zelfvertrouwen dat je nodig hebt om mensen te inspireren. Of dat nu De Harmonie, de WDT of de Vada Rythm Jiggers is. Een theater waar je als vereniging, gemeente, bedrijf of universiteit met trots mensen kunt ontvangen, of dat nu de president van Indonesië, de Koningin of Yoep van ’t Hek is. Een Bolwerk van zelfbewustzijn dat zich voortbouwt of de fundamenten die in het zich vernieuwende Wageningen van 1880 al zijn gelegd.

Ingekort deel 3 uit: feestrede door Leo Klep in mei 2005 ter gelegenheid van het 125 jarig bestaan van Junushoff.

 

Het levensverhaal van Gerard van der Schouw, geboren Renkummer en getogen Wageninger!

Ik ben op 31 augustus 1928 geboren op de grens van Wageningen en Renkum op de Bergerhof 9, in de volksmond de ‘Mussenberg’ genoemd. We keken uit op ’t Renkumse Beekdal en de voet van de Wageningse berg, waar de Laan van ONO en gebouwen zijn gevestigd. Op 4-jarige leeftijd verloor ik m’n moeder en ging ik met m’n zus van 3 jaar naar m’n grootouders en tante, alwaar wij daar verder onze jeugd hebben doorgebracht!
Toen de lagere (basis) school er in 1941 op zat, ging ik op de fiets met (‘curver’)noodbanden via ONO, over ’t ‘zwarte’ pad en de Wageningse Engh, naar de Nijverheidsschool (hoek toenmalige Grindweg en Vergersweg). Ik heb daar (tussen de onderduikers) tijdens de oorlogsjaren, evacuatie + ’n extra jaar, m’n diploma gehaald + voorbereidend MTS gedaan.
In 1946 ging ik als beginnend machinebankwerker aan de slag, maar wilde machinist worden bij de NS. Na enkele jaren gewerkt te hebben als onderhoudsmonteur, kwam de militaire dienstplicht en daarna solliciteerde ik bij het Instituut voor Land-bouwtechniek en Rationalisatie aan de Mansholtlaan, alwaar ik werd aangenomen. Ondertussen had ik m’n vrouw (Betsie Driessen, geboren 4-4-1931 te Lobith) leren kennen in de ‘Suikerpot’ (hoek 1e en 2e Gerdestraat), op de dansles van dhr. Hoksbergen. Aangezien ik nu in Wageningen werk had, ben ik in maart 1952 vanuit Renkum naar Wageningen verhuisd; eerst in de kost en daarna bij m’n schoonouders ingewoond. Er was geen woning te krijgen en na enkele omzwervingen ben ik Wageningen altijd trouw gebleven. Zelfs ben ik toentertijd vanuit Renkum en later vanuit Wageningen af en toe naar ’t voetbal op de Wageningse Berg geweest, vooral als ‘Vitesse’ op bezoek kwam. Ik ging echter toch meer voor de natuur, zoals het Bergpad, Belmonte, pont en Uiterwaarden.

Nadat wij in 1954 trouwden in Wageningen hebben we na vele moeilijke jaren in 1968 een dochter en in 1971 zowaar ook nog een zoon gekregen, die beiden hier in het Wagenings Ziekenhuis zijn geboren op de Otto van Gelreweg (de Hucht).
In 1970 solliciteerde ik naar een baan bij de gemeente Wageningen, vanwaaruit ik met vervroegd pensioen ben gegaan. Ondanks wat minder geld zijn mijn kinderen toch goed naar ons inziens terecht gekomen. Mijn dochter woont ook hier in Wageningen, is gehuwd en heeft een zoon van 15 jaar. Mijn zoon heeft een administratiekantoor en woont in Heelsum. Het frappante is dat mijn familie, vanaf m’n overgrootvader tot aan m’n kinderen, gehecht is aan Wageningen en Renkum.

Enkele bijzondere gebeurtenissen:

In 1988 werd er door de ‘Vadanotten’ via de Wageningse Winkeliers een prijsvraag uitgeschreven voor een carnavalsnaam voor Wageningen. En wie werd de winnares? M’n dochter, zij had gewonnen met de naam ‘Jolleberg’. Deze naam wordt nog steeds gebruikt.

Op 26 maart 1943 woonde ik aan de A’dorpsstraat 3 te Renkum en om ongeveer 21.15 uur ’s avonds hoorde ik een enorm lawaai en ging direct naar buiten, niet wetende wat er laag overkwam. Ik zag daar ’n motor zonder uitlaat en deze had een vlammende staart. Een angstig gevoel bekroop mij: ‘direct valt hij neer’. Maar het geluid werd minder, ’n tiental seconden later ’n geweldige klap en toen werd alles stil. Het projectiel kwam vanuit oostelijke richting over het dorp Renkum en verplaatste zich volgens het geluid naar ’t westen, richting ONO naar Wageningen (zie Veluwepost 22/3/13). Ik was destijds 15 jaar en fietste iedere morgen naar de ‘Nijverheidsschool’ in Wageningen waar het wemelde van de Duitse militairen. Op school aangekomen hoorde ik van de Wageningse jongens, dat er een bom of V1 op ’t Rode Dorp was neergekomen.

Op 17 september 1944 om 12 uur maakte ik ’t bombardement op ‘Belmonte’ (ofwel ‘sahara’) mee, waarna ongeveer om 13 uur de luchtlanding begon, wat wel tot 17 uur duurde! De Duitse SS-ers kwamen vanuit het Noorden en Oosten om de Engelse brigades te verdrijven. Deze strijd duurde ongeveer 10 dagen, waarna een Rijncorridor werd gevormd van Arnhem t/m het Amsterdamrijnkanaal. De bevolking van o.a. Renkum en Wageningen was toen allemaal vanaf 1 oktober ’44  tot 5 mei ’45 geëvacueerd. Na de terugkeer vonden we veel beschadigde en vernielde huizen en gebouwen terug en kon de wederopbouw beginnen. Zodoende heb ik pas in 1946 m’n diploma kunnen behalen!

Toen ik in Wageningen vast werk had, heb ik via diverse instanties vanaf juli 1981 vele pogingen ondernomen om voor Wageningen weer ’n eigen rechtstreeks railstation te realiseren. Een kwestie van 3x ongeveer 6 km en Wageningen had rechtstreeks verbinding met Nijmegen, Utrecht en Schiphol, i.v.m. de internationale contacten met het buitenland. Helaas, het zal altijd wel in Ede-Wageningen bij overstappen blijven, maar ‘Wageninger’ blijf ik!

door: Gerard A.W. van der Schouw, do 21 maart 2013.

Wageningse kinderen in Ilpendam, 1940

De foto die rond 27 juli 1940 in veel landelijke kranten heeft gestaan: De kinderen worden door de burgemeester verwelkomd en met rijtuigen en boerenwagens naar hun logeeradressen gebracht.
De foto die rond 27 juli 1940 in veel landelijke kranten heeft gestaan: De kinderen worden door de burgemeester verwelkomd en met rijtuigen en boerenwagens naar hun logeeradressen gebracht.

Als na de eerste oorlogsdagen en de capitulatie ieder het leven weer probeert op te pakken zitten veel mensen in Wageningen en omgeving nog zonder of met een zwaar beschadigde woning. Door toedoen van de burgemeester van Ilpendam (of op aandringen van zijn vrouw) worden kinderen uit Wageningen uitgenodigd de schoolvakantie in Ilpendam door te brengen om de oorlogsdagen een beetje te vergeten. Een damescomité heeft in Ilpendam geld ingezameld en de burgemeester heeft overlegd met het bestuur van Wageningen.  Dr.Ir.W.Smith van het Centraal Genootschap afd. Wageningen, zal de organisatie verzorgen. Er is plaats voor 75 kinderen. Ilpendam is een dorp aan het Noord-Hollands kanaal tussen Amsterdam en Purmerend.

18 Jongens en meisjes komen eind juli naar Ilpendam en worden bij de tramhalte door leeftijdgenoten welkom geheten.
18 Jongens en meisjes komen eind juli naar Ilpendam en worden bij de tramhalte door leeftijdgenoten welkom geheten.

De kinderen zijn bij verschillende families, veelal op boerderijen, ondergebracht.
Bij een poging die geschiedenis te beschrijven heeft de ‘Oudheidkundige Vereniging Ilpendam’ gezocht naar die kinderen en de pleegouders. Van vier kinderen uit twee gezinnen is hun verhaal van de logeerpartij gevonden, omdat ze nog contact hebben met de pleegouders of de kinderen daarvan. Bertus en Aaltje Sachteleben  logeerden aan de overkant van het kanaal op de boerderij bij de familie Exalto.
Ineke en Beppie Engelsman, die evenals de familie Sachteleben voor de oorlog in de Veerstraat in Wageningen woonden, hebben in 1940 bij de families Box en de Goede gelogeerd. Hun verhaal gaat nog verder:
Toen in 1944, bij de luchtlandingen, de bewoners van Wageningen wéér op de vlucht moesten is de hele familie Engelsman in Ilpendam neergestreken.

Foto met zoon Arend Exalto
Foto met zoon Arend Exalto
De kinderen weer bij hun oude ‘pleegouders’ en vader en moeder bij twee andere families in de buurt. Na de bevrijding gingen vader en moeder in Wageningen woonruimte zoeken en de kinderen bleven nog een tijdje in Ilpendam op school. Bij het koninginnefeest in Ilpendam, 31 aug 1945, vielen die meisjes nog in de prijzen, met hun klasgenootjes verkleed als ‘bloemenmeisje’.

De Oudheidkundige Vereniging Ilpendam zou graag van meer mensen die geschiedenis uit 1940 willen optekenen en foto’s verzamelen.

Door: Ben Treijtel

Scheve Kees

Kees Mulder was in WW II verzetsstrijder van het eerste uur en was erg actief samen met Dien Veenendaal-Meurs, beiden hebben ook veel samengewerkt.

Kees bracht neergeschoten vliegtuigbemanningen en ontsnapte krijgsgevangen in de jaren 1943 – 1945 over de Rijn terug naar de eigen troepen in de Betuwe. Hij moest deze mensen meestal even onderbrengen voor de kust veilig was om ze over de Rijn  te brengen. De grafkelder van de familie Hesselink van Suchtelen was zijn schuilplaats voor de Duitsers die zich niet waagden in een grafkelder, daar komt bij dat hij het uitzicht had op de toegang van de begraafplaats en een deel van de Buissteeg zo zag hij ze al van verre komen en konden zij zich tijdig in de schuilplaats terugtrekken.

Grafkelder van de fam. Hesselink van Suchtelen van hieruit kijk je naar de ingang van de begraafplaats.

Vaak werden de ondergedoken vliegbemanningen aangevoerd door Dien Capelleveen-Meurs die met haar paard en wagen, waar zij de mensen verborg onder het hout wat zij moest vervoeren van en voor de Duitsers, zo kon zij ze dan ergens in het bos overdoen aan Kees. Er wordt ook gezegd dat zij een schuilkelder achter op de begraafplaats hadden kort bij de wielerbaan gegraven, door Hent Caspers en zijn mensen ik heb Kees daar nooit over gehoord als hij aan de koffie zat bij ons thuis en vertelde wat hij alzo had gedaan en meegemaakt en vaak doodsangsten uitstond. Hij liep altijd wacht op de begraafplaats en had een doorgeladen stengun onder zijn jas. Op een avond gingen mijn vader en Bertus van Schaik naar het land tussen de begraafplaats en de wielerbaan, het was net spertijd geworden en er kwamen vliegtuigen over, zij waren op de begraafplaats toen er plotsklaps iemand met een stengun gericht voor hen stond en met een ferme gvd Willem en Bertus dat scheelde niet veel of ik had jullie kapot geschoten. Daar zat de schrik er dus goed in aan beide kanten, zij hebben toen afgesproken als ze weer naar het land zouden gaan dat ze dan een deuntje zouden fluiten een bekend lied wat bij de Duitser niet bekend was dan wisten zij allen dat het goed was er werd om de zoveel tijd een ander lied gekozen om niet herkend te worden. Als de kust veilig was ging Kees zijn mensen wegbrengen nooit grote aantallen dat gaf teveel risico dus op de fiets of lopend gingen zij dan richting Rijn. Vaak werd het kleine veer gebruikt bij huize “de Wolfswaard”, was het er niet veilig genoeg naar zijn zin werd een andere plek gezocht om iedereen over te zetten met een roeibootje en lappen om de roeispanen.

Deze verhalen van Kees Mulder die een goede vriend des huizes was zijn mij altijd bijgebleven het waren heldendaden die zij verricht hebben in deze moeilijke tijden.

Het is jammer dat Kees en Dien nooit vermeld zijn in diverse boeken die uitgebracht zijn ik noem er één Kleine Kroniek van het verzet in Wageningen over de periode 1940-1945 door Frans van der Have waar Kees zijn naam heel zijdelings in voorkomt, dit boekwerk is geheel gericht op de gereformeerde verzetsgroep en dat is jammer ook anderen hebben zich bewezen in WW II.
Het meest frappante is dat Kees van de Amerikanen wel een onderscheiding voor bewezen moed heeft gekregen en pas vele jaren na de oorlog kreeg hij hier een onderscheiding dat heeft Kees zelf nooit zo erg dwars gezeten zij hij zelf altijd.

Kortom het was een fijn iemand om mee om te gaan ik heb nog met een zus en een nicht van hem zitten brainstormen over wat hij allemaal heeft gedaan zijn zus was al veel kwijt over deze beroerde tijden. Als je in Wageningen naar Kees Mulder vroeg kende bijna niemand hem maar vroeg je naar de scheve Kees wist iedereen wie dat was.

Tot slot als er mensen zijn die een foto van Dien Meurs hebben zou ik die graag willen kopiëren er zijn geen foto’s van haar als één van haar met de groentekar en paard Poppie.

Graf Kees Mulder

door: Willem Ruisch

Een oorlogsverhaal

Wageningen bestaat 750 jaar. Veel over Wageningen is vastgelegd. Op allerlei manieren. Vaak heb je de neiging om na het lezen van een document op voorhand te geloven wat er geschreven staat. Soms krijg je echter twijfels over het waarheidsgehalte van een bepaalde verklaring.
Mij overkwam het volgende.

Enkele jaren geleden dronk ik een borrel in café Chris, in de Amsterdamse Bloemstraat. Ik raakte in gesprek met Bart Dijkstra, een wat oudere stamgast in deze Jordanese taveerne.
Toen hij vernam dat ik uit Wageningen kwam klaarde zijn gezicht op. Hij bleek er als kleine jongen ook gewoond te hebben. Zijn vader had een leidinggevende functie bij een van de steenovens in de uiterwaarden. Toen hij hoorde, dat ik op de hoek van de Havenafweg en de Havenstraat woonde raakte hij bijzonder geïnteresseerd.
Hij vertelde, dat hij aan het einde van de oorlog met zijn vader in Wageningen terecht kwam. Eigenlijk mochten ze de stad helemaal niet in, want deze lag in spergebied. De vader van Bart was echter zo nieuwsgierig naar de toestand van de ovens, dat hij de gok maar nam. Ze konden op een gelukkige wijze over een auto beschikken en reden vanaf de Nude de Havenafweg op. Bart kreeg daar de schrik van zijn leven. Hij zag een vernielde brencarrier op de hoek van de Nude staan en voor ons huis aan de Havenstraat lagen de lijken van enkele Duitse soldaten.

Ik legde dit verhaal voor aan de archivaris van de gemeente Wageningen. Deze onderzocht de zaak en deelde mee, dat er geen sprake was geweest van gevechtshandelingen. Een brencarrier was op een landmijn gelopen en daarbij was helaas de Engelse korporaal Dewe om het leven gekomen. Van dode Duitse soldaten was geen enkele sprake.

Enkele weken later kocht ik brood bij bakker Stroop in de Irenestraat. De heer A.C. Looijen, een oudere Wageningen, die mij van mijn columns kende, vroeg mij of ik wist dat er bij ons in de tuin een aantal Duitse soldaten begraven hadden gelegen. Ik reageerde verbaasd en vroeg of hij meer gegevens had. Hij antwoordde bevestigend. Hij vertelde dat hij op het einde van de oorlog vanuit de buurt van Veenendaal, waar zijn familie geëvacueerd was, een tochtje naar Wageningen had gemaakt. Eigenlijk mocht dat niet, maar samen met zijn vader besloot hij toch het “spergebod” te negeren. Ze kwamen bij ons in de buurt en zagen naast de zwaar beschadigde brencarrier ook enkele lijken van Duitse soldaten voor ons huis liggen. Hij kon het verhaal van Bart Dijkstra volledig bevestigen . “Wat je ziet, zie je…” zei hij nog.

Enkele weken geleden kwam ik op de dijk oud garagehouder Herman Oudsen tegen. Hij vertelde mij, dat hij in en na de oorlog jaren in de Havenstraat had gewoond. Hij wist zeker dat er bij ons achter in de tuin lange tijd enkele gesneuvelde Duitsers begraven hadden geleden. Hij was er persoonlijk bij geweest toen deze soldaten werden opgegraven om naar hun laatste rustplaats te worden overgebracht.

Er kan op de sterfdag van corporal Walter Dewe van alles zijn gebeurd. Hij is de heldendood gestorven…maar voor Bart Dijkstra, meneer Looijen, Herman Oudsen en mij is er die 17e april 1945 meer gebeurd dan de officiële rapporten blijkbaar aangeven.

Door: Willem Straatman, bewoner Havenstraat 33 Wageningen.